Hallo!
Ik ben me in statistiek aan het verdiepen, omdat ik heb gemerkt op het examen dat ik bij die vragen telkens moet afhaken: ze lukken nooit. Zo waren er op het examen in juli 2 statistiek-vragen, die ik allebei niet kon. Ik ken nochtans de theorie, maar blijkbaar kan ik die niet goed toepassen.
Sinds gisteravond zit ik muurvast: ik blijf maar vragen proberen en ze lukken niet en ik verlies heel veel tijd. Met een uitgewerkte oplossing erbij kan ik de antwoorden wel beredeneren, maar alleen lukt het me jammer genoeg niet.
Kan iemand mij helpen bij het oplossen van volgende vragen uit de voorbereidingscursus van de KU Leuven (2011)?
1) Veronderstel dat bij een geboorte de kans op een meisje 50% is. Een gezin heeft 5 kinderen. Wat is de kans dat er minstens 1 meisje bij is?
Mogelijkheden waren: 1/32 - 5/32 - 31/32 - 27/32 - 1/5 (antwoord is 31/32)
Ik heb eindeloos geprobeerd, maar kom er totaal niet uit.
2) De kans dat iemand aan Alzheimer lijdt hangt af van zijn leeftijd en geslacht. Voor mannen van 75 tot 79 jaar is deze kans 5% en voor vrouwen van 80 tot 84 is dit 8%. Stel dat we 2 onderling niet verwante personen selecteren: een man van 77 jaar en een vrouw van 82 jaar. De kans dat precies 1 van de 2 aan Alzheimer lijdt is:
13% - 40% - 0,4% - 12,2% - 6,5% (antwoord is 12,2%)
Ook hier: alles geprobeerd, maar ik zou niet weten hoe ik de vraag nog moet aanpakken.
3) Op een feestje schudt iedereen de hand van iedere andere aanwezige. Niemand begroet tweemaal dezelfde persoon. Er worden in totaal 210 paar handen geschud. Hoeveel mensen waren er op dat feestje?
Mogelijkheden: 14 - 15 - 20 - 21 - 105 (antwoord is 21)
Ik heb die vraag geprobeerd met een kleiner aantal (eerst met 3 personen, dan met 4 personen), maar de methode lijkt niet te werken.
Very frustrating allemaal!
Alle tips voor een praktische aanpak zijn welkom! Alvast dank je wel voor jullie hulp!