'Je hebt 4 oplossingen van 0,05 mol/L: (1) NaF, (2) KCl , (3), HI, (4) NaOH. Rangschik volgens dalende pH.' (de juiste oplossing in 4, 1,2,3)
Dit is mijn redenering:
Je weet dat NaOH een sterke base is en HI een sterk zuur. NaOH heeft dus een hoge pHwaarde (de hoogste wss dus 4 staat vanvoor) en HI een lage pHwaarde (de laagste wss dus 3 staat vanachter). Ik denk dat NaF en KCl zouten zijn (waar herken je zouten eig specifiek aan?).
Dit is een oef uit de KUL voorbereidingscursus en bij de oplossing staat dat Na+ van het zout NaF een neutraal ion is en F- een zwakke base. Eveneens volgens de oplossing zijn K+ en Cl- van het zout KCl beiden neutrale ionen. Daarom heeft KCl een lagere pH dan NaOH en is de oplossing 4,1,2,3.
Ik begrijp dat het pH van een base hoger is dan dat van een neutraal deeltje en nog hoger dan dat van een zuur. Maar ik begrijp niet waarom NaF een zwakke base is en KCl neutraal. Heeft dit te maken met het feit dat NaF afkomstig is van een sterk base (NaOH) en een zwak zuur (HF) terwijl KCl afkomstig is van een sterk base (KOH) én een sterk zuur (HCl)?
Sorry voor de lange uitleg en hopelijk weet iemand het antwoord 