een wiel beschrijft 90 omwentelingen per minuut. Bij het afleggen van de motor heeft het bij een eenparige vertraagde rotatie 40 seconden nodig om tot stilstand te komen. Het aantal omwentelingen verricht door het wiel tijdens deze 40 seconden is
A; 10
b: 20
c 30
d40
het antwoord is C
ik weet dat 90 omwentelingen per minuut gelijk zijn aan 1.5 omwentelingen per seconde maar is dit nu de periode of de frequentie en hoe bereken ik dan die vertraging? En door gewoon 1.5 maal 40 te doen kom ik er ook niet:s
iemand een gedacht?
Bedankt!!