-We beschouwen twee oplossingen :
Voor oplossing 1 geldt : [H3O+] = 2 . [OH-]
Voor oplossing 2 geldt : pH = 2 pOH
Slechts één van de volgende vier uitspraken is geldig. Dewelke ?
<A> : De pH van oplossing1 is gelijk aan de pH van oplossing 2.
<B> : De pH van oplossing 1 bedraagt 9,3.
<C> : De pH van oplossing 2 bedraagt 9,3.
<D> : Er is onvoldoende informatie om een uitspraak te doen over de pH.
Antwoord C is correct, maar hoe zit kom je daar juist aan?
- We beschouwen twee oplossingen :
Voor oplossing 1 geldt : [H3O+] = 2 . [OH-]
Voor oplossing 2 geldt : pH = 2 pOH
Slechts één van de volgende vier uitspraken is geldig. Dewelke ?
<A> : De pH van oplossing1 is gelijk aan de pH van oplossing 2.
<B> : De pH van oplossing 1 bedraagt 9,3.
<C> : De pH van oplossing 2 bedraagt 9,3.
<D> : Er is onvoldoende informatie om een uitspraak te doen over de pH.
Deze vraag begrijp ik in het geheel niet
- Kan er iemand bij ook het verband uitleggen tussen pH en pkz?
Bedankt!!