Skip to Content

Enkele vragen over vorig chemie gedeelte (juli)

1 antwoord [Laatste bericht]
Valentien Merlevede
Offline
Lid sinds: 2011-06-30

-We beschouwen twee oplossingen :

Voor oplossing 1 geldt : [H3O+] = 2 . [OH-]

Voor oplossing 2 geldt : pH = 2 pOH

 

Slechts één van de volgende vier uitspraken is geldig. Dewelke ?

 

<A> : De pH van oplossing1 is gelijk aan de pH van oplossing 2.

<B> : De pH van oplossing 1 bedraagt 9,3.

<C> : De pH van oplossing 2 bedraagt 9,3.

<D> : Er is onvoldoende informatie om een uitspraak te doen over de pH.

Antwoord C is correct, maar hoe zit kom je daar juist aan?

 

- We beschouwen twee oplossingen :

Voor oplossing 1 geldt : [H3O+] = 2 . [OH-]

Voor oplossing 2 geldt : pH = 2 pOH

 

Slechts één van de volgende vier uitspraken is geldig. Dewelke ?

 

<A> : De pH van oplossing1 is gelijk aan de pH van oplossing 2.

<B> : De pH van oplossing 1 bedraagt 9,3.

<C> : De pH van oplossing 2 bedraagt 9,3.

<D> : Er is onvoldoende informatie om een uitspraak te doen over de pH.

Deze vraag begrijp ik in het geheel niet

- Kan er iemand bij ook het verband uitleggen tussen pH en pkz?

Bedankt!!