Hallo iedereen,
Ik heb nog enkele vragen ivm chemie die ik maar niet krijg opgelost. ( ze komen uit de roze/paarse bundel van de KUL.
vraag 47: 201 mg van een sterk zuur met brutoformule HXO4 wordt overgebracht naar een maatkolf van 2.00L en met gedesioniseerd water aangelenged tot de ijkstreep. voor deze opl meet men een zuurgraad van 3.00. Welke bewering ivm deze opl is correct.
A wanneer er geen extra zuur of base of water wordt toegevoegd aan deze opl, bedraagt de concentratie aan hydroxide-ionen in de oplossing bij eender welke temperatuur 1.00 * 10^-11 mol per liter.
B de molaire massa van het onbekende element X bedraagt 136 g / mol m.a.w. X=Ba
C de molaire massa van het onbekende element X bedraagt 35.5 g / mol m.a.w. X=Cl
D de zuurgraad van een waterige oplossing van NaXO4 is altijd groter dan 7
(Antwoord c)
vraag 50: Hoeveel bedraagt de zuurgraad wanneer aan 200 ml van een waterige waterstofchloride-oplossing met een concentratie van 3.0 *10^-3 mol/L 400mL van een waterige kaliumhloride-oplossing met een concentratie van 2.0 * 10^-3 mol/L wordt toegevoegd?
A 2.5
B 3.0
C 3.5
D 7.0
(antwoord B)
Kan iemand mij helpen?