In welke onderstaande situaties wordt bij het oplossen van de verbindingen in water in buffermengsel bekomen?
a) 0.50 mol azijnzuur en 1.00 mol kaliumhydroxide
b) 0.50 mol azijnzuur en 0.50 mol kaliumhydroxide
c) 0.50 mol zwavelzuur en 0.50 mol natriumwaterstofsulfaat
d) 0.50 mol zwavelzuur en 1.00 mil natriumwaterstofsulfaat
Het antwoord is A.
Kan iemand mij dit uitleggen? Eigenlijk ook gewoon het principe van buffers, want dat snap ik niet zo goed..