Vraag 33: Als men het sterke zuur HCl vergelijkt met het zwakke zuur HCN kan men sltijd stellen dat:
B. HCl meer H3O+-ionen vrijzet in water dan HCN indien de concentraties van beide in water dezelfde zijn. (juiste antwoord)
C. HCl meer H3O+-ionen vrijzet in water dan HCN, indien van beide evenveel gram wordt opgelost in 1 liter water.
Mijn Uitwerking: Ik dacht juis C, want als je B kiest: als je zelfde concentraties neemt, dan zijn er toch evenveel H3O+-ionen toch? want van de ene neem je dus meer, van de andere minder om dezelfde concentratie te krijgen. Of heb ik het fout????
Vraag 35: Op basis van de definitie van pH en het gegeven, dat bij 22 graden celsius de getalwaarde van het ionenproduct van water (Kw) gelijk is aan 1,0x10-14 , kan men besluiten dat:
B. de pH van een 1,0x10-6 mol/liter HCl-oplossing kleiner is dan deze van een 1,0x10-2 M oplossing van een zwakke base MOH. (juiste antwoord)
D. de pH van oplossing van alle zuren met concentratie 1,0x10-3 mol/l dezelfde is.
Mijn uitwerking: Ik dacht juist D. Maar B klopte ook want voor HCl vond ik pH=6 en voor MOH vond ik pH=12. Hoezo is D fout???
Vraag37: De ionisatiegraad van een 0,10mol/liter oplossing van azijnzuur(CH3COOH) in water, waarvan de pH gelijk is aan 3,00, bedraagt:
B. 1,0x10-3
C. 1,0x10-2(juiste antwoord)
Mijn uitwerking: Ik heb hier de evenwichtsreactie gebruikt en kwam op antwoord B. Hoe kom je op antwoord C???
Vraag 40: Een oplossing die bereid wordt door een zelfde aantal mol HOCl (getalwaarde van de Ka is 2x10-8) en NaOCl in water op te lossen heeft een pH:
A. van 4,8
B. van 5,8
C. van 7,7 (juiste antwoord)
Hoe bereken je dit??????
Vraag 41: 0,400gram van een tribasisch zuur H3A worden opgelost in water en vervolgens getitreerd met een 0,100mol/l oplossing van de sterke base van het type M(OH)2. Er wordt 60,0ml baseoplossing verbruikt. De molaire massa van het tribasisch zuur is dan:
A. 33g/mol
B. 100g/mol(juiste antwoord)
Mijn uitwerking: H3A + 3H2O --> A3- + 3H3O+, OH- + H3O+ --> 2H2O, (0,100molx60ml)/1000ml=0,006mol, (0,400gx1mol)/0,006mol= 66,667g. Ik kom dus niet op de exacte antwoord, waar is mijn fout???
Vraag 42: Indien men de titratie van 1,0x10-1mol/l HCl-oplossing met 1,0mol/l NaOH-oplossing vergelijkt met de titratie van 1,0x10-1mol/l azijnzuur-oplossing (CH3COOH, getalwaarde van Ka is 4,0x10-5M) met dezelfde base-oplossing, dan is een correcte uitspraak:
B. dat de pH bij het equivalentiepunt in het tweede geval groter is.(juiste antwoord)
D. dat men voor de titratie van HCl meer base verbruikt.
D klinkt toch ook logisch?????