Vraag 2:
Van een uurwerk heeft het uiteinde van de grote wijzer een snelheid van 2 mm/s. Bereken de lengte van de wijzer.
A) 1.91 cm
B) 1.15 cm
C) 1.15 cm
D) 19.1 cm
Vraag 9:
Een steen is aan een touw bevestigd. Die steen voert een eenparig cirkelvormige beweging uit met een straal van 1m. De steen maar 1 omwenteling per seconde. De gemiddelde versnelling van de steen tijdens 1/4 omwenteling, is gelijk aan:
A) 0
B) pi m/s²
C) 21/2 pi m/s²
D) 1281/2 pi m/s²
Vraag 20:
Een uiteinde van een heel lichte balk met lengte 5m steint op een muur. Het andere uiteinde wordt door een bouwvakker ondersteunt zodat de balk horizontaal staat. Zo tilt hij een last op die op 2m van de muur aan de balk vastgemaakt is. Recent heeft de bouwvakker bewezen een hefkracht van 800 N te kunnen ontwikkelen. Welke massa kan hij tillen? (g=10m/s²)
A) 200 kg
B) 120 kg
C) 32 kg
D) 133 kg
Vraag 26:
een vat met zuiger is verbonden met een verticaal opgestelde buis. In het vat en de buis bevindt zich water. Een persoon gaat op de zuiger, die een oppervlak van 600cm² heeft, staan. Hierdoor stijgt het waterniveau met h=0.97m, terwijl de zuiger praktisch niet daalt. Wat is de massa van de persoon?
A) 571 N
B) 58 kg
C) 57 kg
D) 603 N
Vraag 28:
Een U-vormige buis, waarvan de rechterbuis een doorsnede heeft die vier keer zo groot is als deze van de linkerbuis, is gedeeltelijk gevuld met water. In de rechterbuis laat met een cilindervormige kurk vallen. De doorsnele van de kurk is de helft van deze van de rechterbuis. De kurk zakt voor 1/3 in het water en blijft zo liggen dat het boven en het ondervlak evenwijdig zijn met het wateroppervlak. Nadat de kurk in het water ligt
A) is het waterniveau links 4/3 van de dikte van de kurk hoger dan rechts
B) zijn de waterniveaus links en recht hetzelfde
C) is het waterniveau links 1/3 van de dikte van de kurk hoger dan rechts
D) is het waterniveau links 2/3 van de dikte van de kurk hoger dan rechts
Ik zou gegokt hebben op B omdat ik denk dat er zich terug een evenwicht instelt aangezien het maar 1 vloeistof is, maar ik weet niet of deze redenering klopt.
Vraag 31:
Een U-vormige buis met doorsnede A is gevuld met olie, water en petroleum. (Water onderaan, olie in het linkerbeen en petroleum in het rechterbeen.) Met giet een volume A.x olie bij in het linkerbeen. De dichtheid van water is gtroter dan de dichtheid van olie. Het petroleumniveau is
A) over een afstand kleiner dan x gedaald
B) over een afstand groter dan x gestegen
C) over een afstand kleiner dan x gestegen
D) hetzelfde gebleven
Vraag 32:
Beide benen van een manometer hebben een doorsnede van 1cm². De barometerdruk is 10^5 Pa. De manometer is gevuld met kwik. Men wil bij contante temperatuur de druk van een afgesloten hoeveelheid lucht op 3.10^5 Pa bregen. De dichtheid van kwik is 13600kg/m³. In het linkerbeen is nu 9cm lucht. Het volume kwik dat men in het rechterbeen moet gieten is:
A) 156 cm³
B) 231 cm³
C) 162 cm³
D) 150 cm³
Vraag 33:
Door een onachtzaamheid begaan bij het vullen van een bakbarometer is in de afgesloten ruimte boven het kwik een weinig lucht binnengedrongen. De hoogte van de kwikkolom bedraagt 72.3 cm, wanneer de afgesloten ruimte boven het kwik een volume inneemt van 10cm³ en 71.6 cm waneer met door de barometerbuis dieper in het kwikreservoir te brengen, de ruimte boven het kwik tot 5 cm³ herleidt. De dichtheid van kwik is 13600kg/m³. Dan is de juiste barometerdruk:
A) 101300 Pa
B) 97400 Pa
C) 94590 Pa
D) niet te berekenen, we hebben de dichtheid van lucht hiervoor nodig.
Vraag 38:
De soorteljike smeltwarmte van ijs is 3.33 x 10^5 J/kg; De soortelijek warmtecapaciteit van ijs is 2090 J/(kg.K), die van water is 4190 J/(kg.K), en die van glas 840 J/(kg.K). Men gooit een ijsblokje van 15g met een temperatuur van -15°C in een glas water waarvan de temperatuur 25°C is. Het glas heeft een massa van 100g, en er is 200g water in. De eindtemperatuur, als warmteverliezen naar de omgeving toe verwaarlossd worden, is:
A) 24.4°C
B) 18.5°C
C) 20.8 °C
D) 17.9°C